Dagboek van een seriemoordenaar [manuscript]

Het volgende tekstfragment zal maar enkele dagen online staan. Het is een poging tot een boek. De tekst is nog zeer onbewerkt en ongeschaafd.

 

DAGBOEK VAN EEN SERIEMOORDENAAR
Auteur: onbekend

 

17.41 uur

Oh, oh, Den Haag, mooie stad achter de duinen
De Schilderswijk, Lange Poten, en het Plein
Oh, oh, Den Haag, ik zou met niemand willen ruilen
Meteen gaan huilen, als ik geen Hagenees zou zijn

Ik zou best nog wel een keertje net als vroege een nachie willen stappen
Op mijn Puch een wijfie halen en daarna dansen in de Marathon
Na afloop op het Rijswijkse Plein een harinkie gaan happen
De dag daarna een kater dus naar Scheveningen, lekker bakken in de zon

Oh, oh, Den Haag, mooie stad achter de duinen

 

HET IS 17.41 UUR !!!

 

Dag 1
Ik heb mijn eerste moord gepleegd.

 

Dag 2
Ik heb mijn tweede moord gepleegd.

 

Dag 3
Ik heb mijn derde moord gepleegd.

 

Dag 4
Ik besluit een dagboek bij te gaan houden.

Ah, godverdomme, ja, een dagboek.

Ik heb hier lang over nagedacht, maar uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat ik iets na moet laten. Ik weet nog niet precies wat die nalatenschap moet zijn, maar ik ga er van uit dat ik daar door het bijhouden van dit dagboek vanzelf achter zal komen. Geen enkele daad zal zonder consequentie blijven en daarom is het goed dat ik op de een of andere manier rekenschap afleg over de manier waarop ik mijn leven leid. De meeste mensen leven in de waan van de dag, maar zo ben ik niet. Ik sta stil bij alles wat ik doe. Bij de effecten die mijn daden op de levens van andere mensen hebben.

Mensen zouden bovendien een verkeerde indruk van me kunnen krijgen als ik ooit wordt gepakt. Ze zouden mij als een monster kunnen zien. Dit dagboek is voor alle duidelijkheid geen biecht. Ik zoek geen vergeving voor mijn daden. Ik probeer alleen uitleg te geven over hoe ik in het leven sta en wie ik ben. Er is geen zwart wit, er zijn alleen maar verschillende tinten grijs. Kijk in de spiegel en je ziet een schim van mij.

 

Dag 5
Vanavond naar Boer zoekt vrouw internationaal gekeken. Eigenlijk wil ik me er te goed voor voelen, er boven staan, maar elk jaar weer raak ik in de ban van deze real live soap. En dan vooral als Boer zoekt vrouw dus de grens over gaat. Niet dat het er inhoudelijk veel toedoet. Boeren zijn wanneer het op de liefde aankomt kennelijk overal hetzelfde. Horkerig en onhandig. Het stralende middelpunt van Bier zoekt vrouw is natuurlijk Yvon Jaspers. Wat is dat een leuke vrouw! Boer Marc zal wel een hoop brieven krijgen. Die boer in Canada is daarentegen nogal een hork. De manier waarop hij Yvon te woord stond.

Het bevalt me niet.

Ik moet proberen aan zijn adres te komen.

Mensen op tv.

Ze zijn anders. Het is net alsof er een schakelaar wordt omgezet als iemand een camera op zich gericht weet. Die camera kan van een tv of filmmaker zijn, maar het kan ook de blik van een vermoedelijke stalker zijn. Als iemand zich bewust is van een camera dan is het alsof de mens en zijn gebaren groter, ja, welhaast grootser worden. Kijk mij eens. Kijk mij eens bijzonder zijn. Oh wee, als niemand de beelden heeft gezien. Er is geen excuus voor te bedenken. Youtube, hashtag, twitter. Als je de beelden niet hebt meegekregen dan zit je kennelijk niet in de inner cirkel. Als men is uitverkoren voor een rol in een commercial of als figurant (met wie weet zelfs een stukje tekst) dan is het natuurlijk helemaal bal. Dan ben je opeens een Bekende Nederlander!

Het rare is dat mensen iets mechanisch krijgen als ze worden gescript. Alsof ze net iets te veel hun best op de tekst doen. Niemand praat op die manier. Als je de tv aanzet en twee mensen met elkaar ziet praten dan weet je onmiddellijk of het een scene uit een tv-serie of echt is. En het is dus pas echt als die mensen niet weten dat er een camera op ze staat gericht. Het mooie van die boeren is dat het niet uitmaakt. Hoezeer ze hun best doen, het zijn en blijven horken.

Als men zich daarentegen bespied voelt zonder dat men een camera op zich gericht weet dan verkleint de mens. Hij wil zich als mogelijke prooi zo compact en onbelangrijk mogelijk maken en zo snel mogelijk naar een plek waar hij zich veilig voelt. Helaas zijn er geen veilige plekken. Niemand voelt mijn blik. Ik kijk onzichtbaar.

Overgestapt van de dagcrème van dr. Van der Hoog naar de dagcrème van Louis Widmer.

 

Dag 6
De Telegraaf heeft het over een gevoelloze moordenaar.

Dat is natuurlijk volstrekte klinkklare onzin. Ik loop juist over van gevoel.

Ik wil eigenlijk verder lezen om er achter te komen wat de pers inmiddels allemaal heeft opgepikt, maar ik voel me lichtelijk ontstemd. Ik vraag me af of een schrijver die zojuist een slechte recensie heeft gelezen over zijn eigen werk hetzelfde voelt. Ik weet natuurlijk ook wel dat de Telegraaf een sensatiekrant is en dat is juist ook een van de redenen waarom ik deze krant graag lees.

Een andere reden is de sportbijlage. De Telegraaf heeft een fantastische sportbijlage. Ik kan dat ding echt letter voor letter helemaal uitpluizen. Het Ajax-gehalte mag wat lager, maar verder is het echt hoogstaande journalistiek dat hier bedreven wordt. Dat hoogstaande houdt overigens wel op buiten de sportbijlage. Het is net alsof alle journalistieke denkkracht in de sportbijlage is gaan zitten.

Mijn kapper heeft de Telegraaf. Een echte mannenkapper. Vrouwen zijn er niet welkom. Heerlijk vind ik dat. Alleen mannenpraat. Geen vrouwen met hun gekakel en geroddel over kinderen, relaties, nagellak, vijftig tinten grijs en allerlei nare ziektes. Nee, in deze kapperszaak gaat het alleen over wezenlijke dingen. Over voetbal, over vrouwen, over, …

Oké, veel meer onderwerpen hebben we nader beschouwd niet.

Ooit kwam er eens een vrouw de zaak binnengewandeld. Haar werd subiet de deur gewezen. Mooi moment, al had ik zelf die moed nooit op kunnen brengen. Ik kan geen nee verkopen, altijd slecht in geweest. Ik ben net zo’n focking Chinees. Altijd maar als een stomme debiel blijven knikken en glimlachen.

Mijn chef heeft me ooit eens op een cursus gestuurd om me weerbaarder te maken. Hij zei dat hij dacht dat er zoveel belevingswereld in me zat, maar dat ik zo slecht ‘leesbaar’ ben. Dat woord gebruikte hij echt. Ik voer alle klusjes uit die van me gevraagd worden. Doe dit. Doe dat.

Vind ik niks mis mee. Ik ben altijd al een uitvoerder geweest. Ik doe niet moeilijk.
En dan nog gaan lopen zeuren dat ik slecht ‘leesbaar’ ben. GODVERDOMME!!!

Ik dwaal af.

Die kapper. Die krant. Die vrouwen.

Uiteindelijk gaat het er om dat je elkaar in elkaars waarde laat. Vrouwen horen niet thuis bij herenkappers. En een krant moet geen voorbarige conclusies trekken. Een krant zou een zakelijk verslag moeten geven van de gepleegde moorden en daar niet allerlei kwalificaties aan moeten hangen. Ik ben geen monster of een gevoelloze psychopaat. Journalisten en nieuwslezers zijn geen wetenschappers of psychologen. En dan nog. Ook die laatste twee beroepsgroepen zouden niet tot conclusies moeten komen zonder het subject van hun onderzoek te kennen. Reportages moeten op objectiveerbare en verifieerbare feiten berusten. Bovendien zou een stukje empathie voor de hoofdrolspeler niet misstaan.

Ik ben ook maar een mens.

(Schreef ik hiervoor subiet???)

 

Dag 7
Ik bekijk mijn platencollectie. Ik moet niks van cd’s of downloads hebben. Vinyl is het voor mij. Heeft niks met klankkleuren te maken. Dat is alleen maar sentimentele onzin van sentimentele dwazen. Net als die mensen die zeggen dat ze alleen papieren boeken willen hebben en geen e-books.

En waarom?

NOU???!!!!

Ik heb het mensen echt horen zeggen: ‘Omdat ze zo lekker ruiken’.

Ik bedoel:

WHAT.

THE.

FUCK!!!!

Wie ruikt er in godsnaam aan een boek? Zulke mensen zou ik het liefste met een baseball bat te lijf willen gaan en hun hoofd helemaal tot moes slaan. Stelletje gestoorde FUCKERS!!!

Maar goed.

Nee, wat ik zo geweldig vind aan platen is dat je ze om kunt draaien. Een download draai je niet om. Doordat je een plaat om moet draaien, luister je veel bewuster naar de muziek. Een downloadlijst of streamingdienst of weet ik veel hoe die dingen heten, kennen geen kop of staart, de nummers volgen elkaar eindeloos op. Muziek verwordt zo tot willekeurig achtergrondgeluid. Bovendien is er echt over die A-kanten en B-kanten nagedacht. Een B-kantnummer zou nooit op een A-kant kunnen staan. Daar zit een hele compositie en filosofie achter. Muziek zou net als een goed verhaal een kop en een staart moeten hebben. Denk je echt dat Bach de verschillende onderdelen van zijn symfonieën in een andere volgorde zou kunnen hebben gezet?

Dat is net alsof je in een boek van hoofdstuk 8 naar hoofdstuk 3 gaat en dan weer naar hoofdstuk 5. Maar vertel dat die podcast- en spotify-junkies maar eens.

Ik grijp een plaat van Falco uit mijn collectie en luister naar Jeanny.

Ik zing uit volle borst het refrein mee:

Jeanny, quit livin’ on dreams
Jeanny, life is not what it seems
Such a lonely little girl in a cold, cold world
There’s someone who needs you…

Falco. Wat een held.

 

Dag 8
Voor mij is ieder mens gelijk. Ik vind het belangrijk dat hier toch even gezegd te hebben. Zwart, blank, geel, het maakt me niet uit. Iedereen verdient dezelfde kansen in het leven. Mijn eerste drie slachtoffers waren blank, maar dat was puur toeval. Ik heb ze alleen vermoord omdat het kon, omdat de kans zich voordeed. Eerst deden ze het nog en toen waren ze stuk. Zo simpel is het. Zo banaal. Wat het ene moment nog ademt, is het andere moment niets meer dan een stoffelijk omhulsel.

Maar het doet me goddomme wel wat, hoor. Je denkt je leven tot een respectabele leeftijd te leven, je verlangt niet veel, alleen een wip met je vrouwtje zo nu en dan, een goede gezondheid, je kinderen tot succesvolle volwassenen op zien groeien en dan kom je net mij tegen. Ik wil hierbij wel aantekenen dat ik natuurlijk niet iedereen die ik tegen kom zomaar even afslacht. Nee, dat zou wat zijn. Ik ben goddomme geen zombie uit de Walking Dead! Ik ben een goed functionerende man (vind ik dan toch) van middelbare leeftijd (Jezus, wat gaat de tijd snel!), die af en toe mensen vermoordt.

Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die navelstaarderig gaan zitten doen en zeggen dat je natuurlijk nooit normaal functioneert als je mensen vermoordt. Ik denk dat dit te ongenuanceerd is. Het één sluit het ander niet uit. Je kunt mensen vermoorden en een perfect gezinsleven leiden. Je kunt een saaie ambtenaar zijn, je kunt elk jaar denken aan de verjaardag van je schoonmoeder, je kunt een dildo voor je vrouwtje aanschaffen en haar elke dag een bos rozen geven. Je kunt Walter White zijn. (Breaking Bad anyone?) Maar goed, wat ik eigenlijk wilde zeggen: je zult me maar net op het verkeerde moment tegenkomen. Ik neem mezelf niks kwalijk, maar af en toe denk ik wel eens na over de angsten, de dromen en de ambities die mijn slachtoffers hebben gehad. Ik kan er maar niet over uit. Zo nietig als alles is.

Misschien is het probleem wel dat we zo lang leven. Iemand die de vijftig is gepasseerd zal daar ongetwijfeld anders over denken (die heeft al twee en een half verzuurde huwelijken achter de rug, die zal misschien denken dat hij al met een been in het graf staat), maar het menselijke leven is lang genoeg om dromen, ambities en aspiraties te hebben. Een eendagsvlieg heeft dat probleem niet. Dat beest leidt niet onder faalangst en staat niet stil bij existentiële levensvragen. Die vraagt zich niet constant af of hij wel een goede eendagsvlieg is geweest. Zijn leven is de nietigheid zelf. Als je een eendagsvlieg dood zou slaan dan vernietig je de nietigheid. Dat maakt dus geen verschil. Als je echter een mens doodt dan beëindig je niet alleen zijn leven, maar amputeer je ook zijn dromen en zijn ambities. De fantoompijn is er in dit geval alleen niet bij de overledene, maar bij diens nabestaanden. Ik vermoord niet alleen iemand, ik vermoord ook een beetje de ziel van degenen die achterblijven.

Shit, dat klinkt wel erg pathetisch.

Maar toch… Dit raakt de kern en houdt me misschien nog wel het meeste bezig. Herinneringen aan overleden personen die je ooit dierbaar zien geweest, zijn net echo’s die eindeloos rond blijven ricocheren. Ik ben een bodemloze put waar je niet in wil vallen.

Interessant feit: De KRO zendt een serie uit over een Franse politieman die na 22 jaar uit coma ontwaakt. Zijn naam: Falco.

 

Dag 9
Net even naar Kijkduin gefietst. Niet te geloven wat voor een mongolen daar rondlopen. Allemaal staren ze naar het schermpje van hun smartphones terwijl ze als zombies op de trappen van het Deltaplein zitten. Pokemon fuckin’ go. Hoe is het mogelijk? Junkies zijn het, slaven van hun smartphones en de consumptiemaatschappij en ze hebben het niet eens door. Het zijn niet eens alleen jongelui. Nee, complete gezinnen maken er een uitje van.

En het is zo verraderlijk allemaal. Uit nieuwsgierigheid heb ik de app gedownload om te kijken waardoor al die mensen zich hebben laten verleiden. Wat een aanzuigende werking! Voordat ik het wist had ik er een paar uur aan besteed en bekeek ik mijn pokedex, een soort van inventaris van gevangen Pokemon diertjes.

Het is een groot wereldcomplot. Een complot om ons verslaafd te houden aan consumptie. Pokemon is alleen maar een voorbeeld. Er is echter zoveel meer. Denk aan alle toegevoegde suikers en de transvetten in het voedsel dat we tot ons nemen, aan de nicotine die in sigaretten zit. Alles draait om onmiddellijke behoeftebevrediging en massaproductie. Wat dat betreft had Aldous Huxley toen hij Brave New World schreef het goed gezien (voor degenen die niet weten wie Aldous Huxley is, zoek het lekker even op in Wikipedia). We worden voorgeprogrammeerd om ons allemaal onder de duim te houden. Vroeger was het religie, nu is het consumptie.

In dit wereldcomplot zitten alle wereldregeringen die met hun zogenaamde conflicten de schijn hoog houden, de multinationals en de ordehandhavers. Soms is het zelfs zo duidelijk en onverbloemd dat we het niet meer zien. Soms zijn dingen te helder, te veel in de openheid, waardoor we onze zintuigen niet meer vertrouwen. De verblindende lichtheid van alledag schakelt onze ratio uit.

Neem de politie. Neem Pokemon.

De politie laat kennelijk ook hier en daar van die diertjes neer zetten. Het is toch fucking niet te geloven! Het zou mensen aantrekken, waardoor inbrekers zouden worden ontmoedigd inbraken te plegen. Echt waar, ik verslikte me in mijn karnemelk toen ik dit nieuws las. Het spul kwam door mijn neusgaten naar buiten.

Geloof me. Het is een hel om karnemelk door je neusgaten naar buiten te krijgen. Ik rook een week lang verzuurde karnemelk.

Er ontstaat een plan. De duinen zijn een prima jachtterrein. Zoveel mogelijke getuigen en niemand die daadwerkelijk registreert wat er om zich heen gebeurt. Ik moet denken aan beelden uit een natuurdocumentaire. Ik weet niet meer zeker of het op Discovery of Animal Planet was.

(Waarom hebben we eigenlijk zoveel van die themakanalen?)

Een kudde kafferbuffels aan de waterkant. Zich van geen kwaad bewust. Natuurlijk ligt er een roofdier in het hoge helmgras. Dat is altijd zo. Je kunt de kijker moeilijk alleen maar een half uur wuivend helmgras voorschotelen. Ha, dat zou wat zijn! De kijker maar turen en turen totdat hij scheelziet. En dan aan het einde van de aflevering de commentaarstem: Ha! Er was toch geen roofdier!

Hoe dan ook…

Ik kan ook zo’n roofdier zijn. Ik kruip en sluip door de duinen en als er eentje achterblijft in de jacht op een flubble bubble (of weet ik veel hoe die klotebeesten heten) dan sla ik toe. Genadeloos!

 

Dag 10
Ik heb mijn vierde moord gepleegd. Had niks met Pokemon te maken. Het kwam gewoon net zo uit. Ken je dat moment dat je opeens een enorm gerommel in je darmen voelt? Dat geborrel? Je gaat naar het toilet en vervolgens sta je een half uur lang en met twee rollen toiletpapier je reet schoon te vegen. GODVERREDOMME! Ik word al nijdig als ik er aan denk! Er ontstaat een enorme behoefte je ding te doen, terwijl je weet dat er daarna een hoop troep is. Ik weet niet of het helemaal een kloppende vergelijking is, maar ik kan even niet iets beters bedenken. Metaforen vind ik echt een bitch!

Ik kan me altijd slecht concentreren als er wordt geschreeuwd. Ik moord daarom altijd met een koptelefoon op. Door de koptelefoon stroomt de muziek van The Carpenters als een heerlijk rustig kabbelende rivier mijn oren in. The Carpenters zijn mijn huisband als ik op jacht ga. Karen Carpenter heeft een heerlijk weldadige stem.

Die weldaad is belangrijk.

Ik kan slecht tegen dat hysterische gedoe dat rechtstreeks mijn oortrommels in gaat. Ik dacht dat ik er in bleef na mijn eerste moord. Het slachtoffer was een vrouw van ergens in de vijftig. Ze gilde als een varken. Echt. Als je niet weet hoe een varken klinkt als die gilt, dan moet je eens naar een slachterij gaan. Het gaat door merg en been.

Ik geloof in de theorie van these en antithese. Dat je vuur met ijs moet bestrijden. Karen Carpenter en gillende varkens verhouden zich als Geert Wilders tot Jesse Klaver. De waanzin wordt geblokkeerd door dichtgesmeerde jaren 70 ballads.

Natuurlijk mis je een stuk contact en ben je minder bewust van je omgeving hetgeen natuurlijk risico’s met zich meebrengt. Ik moord in elk geval wel als een echte eindbaas. Geen handschoenen voor mij. Zoals Don Johnson ooit eens in een film zei: ‘Killing people with gloves is like raping women with a condom on. Its just not the real deal.’ Of zoiets. Het is maar een dagboek, verwacht geen fucking notenapparaat.

Ik zou soms willen dat…

Kut!

Ze draaien hier een lied van Whitney Houston. Zo kan ik me niet concentreren op mijn dagboek. Whitney fuckin’ Houston! In een kroeg. Kolere!

Misschien is het goed om hier te vermelden dat alles wat ik tot nu toe heb geschreven (en dat is welbeschouwd natuurlijk nog niet zo heel erg veel) in een kroeg heb gedaan en dat tenzij Whitney Houston op recidive gaat de komende dagen in mijn dagboek ook in de kroeg zullen worden geschreven.

Begrijp me niet verkeerd. Ik ben geen kroegtijger. Ik heb zelfs niet eens zo veel met alcohol, alhoewel speciale craftbiertjes mij prima kunnen smaken. Thuis kan ik niet de motivatie vinden om iets op te schrijven. Dan stuiter ik te veel met mijn gedachten. De stilte drukt te zwaar op me en het is alsof er dan een loden last op mijn schouders drukt. Ik heb altijd nogal slecht tegen alleen zijn gekund, wat nogal ironisch is als je je bedenkt dat ik meer dan negentig procent van mijn leven single ben geweest. Op mijn werk kan ik natuurlijk niet maken om aan dit dagboek te werken. Facebook, Twitter of Candycrush zijn tot daar aan toe, maar een dagboek bijhouden, nee, ik geloof niet dat dit door mijn werkgever met enige welwillendheid zal worden opgepakt.

Een beetje reuring, daar hou ik wel van. Het geeft me minder de gelegenheid om met mijn gedachten af te dwalen. Bovendien heb ik me altijd prima voor geluid af kunnen sluiten. Juist de stilte is luid. Tegen de stilte is geen enkele verdediging bestand. Een kroeg geeft bier en precies het juiste achtergrondgeluid. Ze moeten er alleen geen Whitney fucking Houston opzetten.

Een lijstje van artiesten die ze ook niet in kroegen moeten draaien:
Celine Dion
Mariah Carey
Barry Manilow
Neil Diamond
Rap, hiphop, klassieke muziek (echt waar, dat heb ik eens gehoord in een kroeg) en het Nederlandse levenslied (zet iets van Jan Smit aan en mijn oren huilen nog weken lang na).

 

Dag 11
Ik kijk naar mijn platencollectie en twijfel tussen Een Toontje Lager en Het Goede Doel. Uiteindelijk besluit ik voor de laatste te kiezen. België. Ik hou van het crescendo. BELGIUHUUUU!!!

België is natuurlijk een kutland. Met zijn kutwegen en dat eeuwige gelul over die zogenaamd arrogante Hollanders. Met zijn kutelftal vol zogenaamde supertalenten. En dan dat zompige donkertroebele bier waar zo hoog over wordt opgegeven. Van die trappisten- en abdijbiertjes. Ondergistend, bovengistend of weet ik veel welke bullshit terminologie ze ervoor gebruiken. Dan drink ik nog liever Bud of Coors Light. Eerlijk Amerikaans pils.

Ooit hoop ik naar Amerika te emigreren. Het land van de seriemoordenaars. Dat land heeft er heel wat voortgebracht. Er zijn er twee die ik bijzonder hoog heb zitten.

Ted Bundy
Ik heb The Deliberate Stranger zeker al honderd keer gezien. Met die Volkswagen Kever van hem. Sindsdien heb ik altijd een Kever willen hebben. Ik heb het wel eens met een vriend over een mogelijke aanschaf gehad. Hij ontraadde me het ten zeerste.

De lul.

Zei dat het me een vermogen zou kosten om zo’n auto te onderhouden. Het liefst was ik hem met een moersleutel te lijf gegaan. Ik heb het niet gedaan.

Maar de auto heb ik ook niet gekocht.

Wayne Gacy
Wauw. Dat was pas echt een badass motherfucker. Met dat clownsmasker van hem. Soms denk ik er wel eens over om een masker op te doen als ik op rooftocht ga. Ik doe het echter niet. Ik wil geen copycat zijn. Ik wil oorspronkelijk zijn. Nou ja, misschien ook niet. Maar dat masker, nee man, dat zal ik nooit doen. Ik ben als de dood voor clowns. Als ik met een clownsmasker naar mezelf in de spiegel zou staren dan zou ik het in mijn broek doen. En dat bedoel ik niet figuurlijk. Het begon natuurlijk allemaal met die enge clown Pennywise in de tv-serie It. De serie was eigenlijk behoorlijk kut, zeker als je het briljante boek van King ernaast legt. Maar Pennywise ben ik nooit vergeten. WAT. WAS. DAT. EEN. BRILJANTE. ROL. VAN. TIM CURRY. Tim Curry is een vrij middelmatige acteur, die een onvergetelijke clown heeft neergezet. Wat een griezel was dat!

Het gaat me echter niet om de seriemoordenaars, ook al ben ik meer dan anderen in ze geïnteresseerd. Nee, ik wil in Amerika wonen vanwege de mensen, de muziek, de prachtige weidse landschappen, de auto’s.

Die auto’s.

Ik zou een grote Amerikaanse muscle car of een pick up kopen of misschien wel allebei. Een Dodge Ram. Alleen al die grille met dat ramshoofd voor op de auto. Soms fantaseer ik er over om met zo’n wagen op een mensenmenigte in te rijden en het geschreeuw en de brekende botten onder me te horen. De bloedvegen en de afgerukte ledematen op het asfalt, de bloedstrepen,

….

Sorry, ik liet me even gaan.

Amerika, daar had ik het over. Amerika, daar wil ik zijn. Ik heb het precies uitgerekend. Mijn huis moet vrijstaand zijn, met zo’n veranda rondom het huis. En een stel rocking chairs. Die rocking chairs zijn belangrijk. En daarnaast een stel pompoenen. Als in fucking Halloween.

Halloween is in Nederland trouwens behoorlijk naar de kloten geholpen door al die vlijtige huismoedertjes. Met hun kleine kutkindertjes met hun stomme kutmaskertjes. Iedereen in de buurt moet meedoen aan deze straatterreur. Of je nu wilt of niet. De dag van tevoren komen ze al aan de deur. De moederbrigade.

Meneer, mogen de kinderen morgen bij u aanbellen? En zou u dan snoep bij de hand willen houden? Misschien wilt u nog een andere bijdrage leveren aan het kinderfeest?

TIEF DE STRAAL OP!!!

Het liefste zou ik al die kindertjes in zo’n klassieke Amerikaanse schoolbus stoppen en ze daar dwingen naar een Halloween marathon te kijken. De hele nacht lang. Alle films. Misschien met uitzondering van het derde deel. Dat had helemaal niets met het oorspronkelijke verhaal te maken (vanaf deel 6 trouwens ook niet, nou ja, maakt ook godverdomme niet uit) . De moeders zou ik onderwerpen aan een filmmarathon met vrouwonvriendelijke porno.

Maar goed.

Het huis.

Het huis moet zich binnen een straal van maximaal 2 mijl van een lokale bierbrouwerij bevinden. Zo’n brouwerij met een drinklokaal waar de plaatselijke bevolking na een dag noeste arbeid de dorst wegdrinkt. En ik zou daar dan staan met een groot glas Amerikaans pils in mijn handen en ik zou allemaal gesprekken voeren met conservatieve Amerikanen over conservatieve waarden en normen. En we zouden allemaal super tevreden met onszelf zijn.

Verder moet er zich binnen een straal van twee mijl een boerenmarkt bevinden, waar ze lokale producten verkopen. Pompoenen zouden mooi zijn.

Kentucky of Tennessee. Dat zijn nu de belangrijkste kandidaten. Kentucky spreekt me met name aan. De bourbons, de paardenranches. Ik heb een hekel aan paarden, maar paardenranches vind ik echt helemaal geweldig.

 

Dag 12
Vandaag ontmoette ik de leider van het onderzoek naar de recente moorden. Hij stelde zich voor als Emiel. Ik vatte meteen sympathie voor hem op. Emiel is zo iemand in wie je graag je vertrouwen wilt stellen. Ik had naar aanleiding van een uitzending van Opsporing verzocht contact opgenomen met de politie. Een of ander lulverhaal over een man die ik ‘s nachts in de Bosjes van Pex heb gezien en zich daar ‘verdacht gedroeg.’

Emiel nam de tijd voor me en was heel empathisch. Hij zou zo iemand kunnen zijn die ook maatschappelijk werk zou kunnen doen. Ik wil hem mijn kant van de zaak uitleggen. Ik wil hem uitleggen dat er meerdere kanten zijn. Een homo heeft niet voor zijn geaardheid gekozen. Een pedo ook niet. Je bent wie je bent. Dat vind ik ook allemaal prima. Ik laat de bruinwerkers met rust, zo lang ze mij met rust laten. Ieder zijn meug, zeg ik altijd maar. En pedo’s, die lui hebben het ook heus niet zo gemakkelijk. Die moeten altijd tegen hun natuurlijke instincten vechten. Ja, dan glipt er natuurlijk wel eens wat tussendoor. Zoiets als in Shit, ik heb een kind geneukt! Ben ik er toch weer mooi ingetuind!

Tja, niet dat ik hier iets goed probeer te praten, hoor.

Ik moord omdat ik er behoefte aan heb, omdat het logisch voelt. Het is natuurlijk niet zo dat ik elke dag zo maar even voor de lol iemand over de kling jaag. Niemand stond meer van mijn eerste moord te kijken dan ikzelf.

Maar…

Dat kan ik natuurlijk allemaal niet vertellen.

De enige bij wie ik te biecht kan gaan is bij de pastoor of bij dit dagboek. Dit dagboek is echter niet meer dan een reflectie van mijn eigen ziel. Dat telt dus niet echt mee. Het is fijn om je verhaal te kunnen doen, maar er moet wel een publiek zijn.

Gelukkig is Emiel een goede luisteraar. Als ik hem vertel wat ik heb gezien laat hij duidelijk merken dat hij me serieus neemt en ook de tijd voor me neemt. Hij vat om de zoveel tijd rustig samen wat ik hem heb verteld en vraagt op de goede momenten door. Ik begin me zelfs dingen te herinneren die helemaal nooit kunnen zijn gebeurd. Opeens heb ik door dat hij met de LSD techniek bezig is. Voor degene die denkt dat dit iets met drugs te maken heeft merk ik op dat dit staat voor LUISTEREN, SAMENVATTEN, DOORVRAGEN. Door deze techniek toe te passen laat je zien dat je daadwerkelijk bent geïnteresseerd in de persoon die tegenover je zit en ook in datgene wat hij te vertellen heeft.

De slimmerik!

Nu zou je als lezer kunnen denken dat het slechts een kunstje is. Doe alsof je luistert en degene die wordt verondersteld te spreken doet vanzelf zijn verhaal. Het zou net zo goed een middel tot een doel kunnen zijn als daadwerkelijke interesse. Bij Emiel heb ik dat gevoel echter niet en ik ben een echt gevoelsmens. Hij bedoelt het echt goed met me. Het was me meteen duidelijk. Dit is een man uit één stuk!

Emiel zei dat hij dankbaar was voor mijn informatie en bedankte me voor mijn oplettendheid. Hij zei dat er contact met me op zou worden genomen als mijn tip tot een concrete onderzoekslijn zou leiden. Ik verwacht er niet veel van. Aan Emiel zal het niet liggen, maar mijn ervaring is dat de politie zelden of nooit een terugkoppeling geeft naar tipgevers.

Ik besluit de politie in de gaten te blijven houden. De politie staat voor een echte test. Niet dat ik mezelf nu zo ontzettend hoog heb zitten, maar kom op, met een seriemoordenaar heeft men in Nederland nog niet veel te maken gehad. Bovendien is er de druk van de media en de hysterie op straat. Foutjes worden zo gemaakt. Misschien help ik ze nog wel een keer en gooi ik hier en daar een lijntje uit. De politie moet af en toe kunnen zeggen dat ze vooruitgang boekt, vertrouwen van de burger inkopen. De politie heeft het zonder mij al moeilijk genoeg. Al die kuttige linkse en anarchistische partijtjes en mensen die elke misstap van de politie tot in het belachelijke uitvergroten.

Jaja, de politie. Ik ben ooit eens gepakt door de politie. Dat was een nogal stom incident. Na een avondje veel te veel gedronken te hebben in een kroeg pakte ik mijn fiets en reed slingerend weg. Ik was nog geen tien meter ver gekomen of ik werd beetgepakt door een politieagent. Naar het zich liet aanzien had ik nogal wat regels overtreden. Ik stapte aangeschoten op de fiets (dat mag kennelijk niet), ik fietste over de stoep (in de verkeerde richting) en ik was vergeten mijn fietslicht aan te doen (zowel voor als achter). Kortom, het zag er nogal lullig uit voor mij. De politieagent zal ik echter nooit vergeten. De brave borst gaf me uitgebreide tekst en toelichting waarom het niet verstandig was wat ik deed. Zelfs in min benevelde toestand had ik dat wel in de gaten, maar ik kon een enorme waardering voor de man opbrengen. Dit was iemand die nog in de maatschappij en een positieve boodschap geloofde! De tranen schoten me bijna in de ogen. Soms denk ik er wel eens over na wat er zou zijn gebeurd als ik voor een ernstiger vergrijp zou zijn gepakt. Zouden mijn eerste slachtoffers dan nog hebben geleefd? Waarschijnlijk wel, maar dan zouden er misschien andere slachtoffers zijn geweest. Je weet nooit hoe het leven loopt of wanneer de man met de zeis langskomt. Aan de andere kant, als men bij de eerste arrestatie van de Green River Killer had gerealiseerd met voor monster men te maken had zou misschien niemand ooit van hem hebben gehoord. Zowel het leven als de dood zijn kantje boord.

Ik heb Emiel al gezocht op Facebook en Twitter, maar heb nog geen account van hem kunnen vinden.

 

Dag 13
Ik ben zo verschrikkelijk onhandig en verlegen met vrouwen. Ik zou ze de hele wereld kunnen vertellen, maar het komt er niet uit. Niet op de goede manier. Ik zou ze willen zeggen dat ik schrijf. Maar stel je voor dat ze dan zouden vragen wat ik schrijf? Ik kan ze moeilijk dit dagboek laten zien. Ik zie zo’n gesprek al voor me.

Goh, ik zie dat hier staan dat je je eerste moord hebt gepleegd. Wat bedoel je daarmee?

Nee. Dat wordt nooit wat.

Ik heb ooit eens Tinder geprobeerd. Op een gegeven moment kwam het me voor dat iedereen tinder op zijn smartphone had geïnstalleerd. Het leverde meer spam dan serieuze reacties op. Ik vraag me af hoeveel serieuze relaties Tinder heeft opgeleverd. En ik vraag me af wat mijn grootmoeder van tinder zou hebben gevonden. Zou ze als ze mijn grootvader op tinder had gezien naar links hebben geswiped en gedacht hebben: Naah! Doe die looser maar lekker niet.

Vrouwen zijn complexe wezens. Zo vol emotie. Bij het minste of geringste beginnen ze te janken bij films en tegelijkertijd kunnen ze akelig zakelijk zijn wanneer het op huishoudelijke en financiële aangelegenheden aankomt. Ik vraag me af hoe sommige van mijn vrienden het volhouden om samen met een vrouw onder een dak te leven.

Ooit had ik eens een neukertje. Ik geloof dat mijn zwager ze zo noemt. Van die vrouwen die je er alleen maar op nahoudt om mee te …

nou ja, dat is dus wel duidelijk.

Het mooie aan haar was dat ik door haar heb leren koken. Dat waren denk ik de gelukkigste momenten uit mijn leven. Samen een beetje kokkerellen in de keuken. Zo burgerlijk, maar tegelijkertijd zo geborgen. Sindsdien ben ik gezonder gaan leven en ben ik beter voor me zelf gaan zorgen, ook lang nadat ze er weer vandoor was gegaan. Soms denk ik nog wel eens aan haar. Waar zou ze nu zijn en wat zou ze nu met haar leven doen? Zou ze nog wel eens aan mij denken? Ik hoop dat ze gelukkig is. Toen we nog samen waren, voelde ik me daar af en toe schuldig over. Alsof ik een ander de kans had ontnomen om gelukkig met haar te worden.

Stom, ik weet het.

Toch kon ik niet nalaten te denken dat ik ooit tegen de lamp zou lopen, dat ze in zou zien dat ze haar tijd verdeed door met mij om te gaan. Mensen die dit lezen zullen waarschijnlijk denken dat ik aan een minderwaardigheidscomplex leidt. Ik kan ze dat moeilijk kwalijk nemen.

Ik ben eenzaam, zo verdomde eenzaam.

Afgelopen nacht met een vriend het derde seizoen van Dexter gebingewatched. Was ik maar de acteur van mijn eigen leven.

Ondijk/Punt – Barry Smit [Recensie]

Ondijk/Punt is door uitgever Lebowski gepresenteerd als een dubbelroman, al zou gezien de omvang van de beide verhalen misschien beter kunnen worden gesproken van een dubbelnovelle. In het eerste verhaal Ondijk keert oorlogsfotograaf Rob van Zee terug naar zijn geboortedorp Ondijk om het huis van zijn pas overleden moeder op te ruimen. Het dorp bevindt zich ergens in een uithoek van de Beemster, een poldergebied in de provincie Noord-Holland. Hij ontmoet daar zijn oude buren en vrienden, die grotendeels in het dorp zijn blijven wonen. De inwoners vormen een nogal bont gezelschap. Zo is er een familie, die er maffia-achtige praktijken op nahoudt en een medium dat contacten onderhoudt met het hiernamaals. In het tweede verhaal Punt maken we kennis met een man uit de Amsterdamse onderwereld die in het zuiden van Frankrijk is ondergedoken en daar een nieuw bestaan probeert op te bouwen.

Ondijk/Punt is het derde boek van Barry Smit (1974), die in 2013 met Om het nu debuteerde en in 2015 met Tahrir zijn tweede roman afleverde. Met kale en onopgesmukte proza doet Smit zijn verhaal. Barry gebruikt geen woord te veel, maar elk woord dat hij gebruikt is buitengewoon geladen. Alles wordt in Ondijk/Punt tot in tot in de kleinste puntjes beschreven, zowel het landschap waarin de verhalen zich afspelen als de handelingen van de diverse personages. De lezer krijgt op die manier ongelooflijk veel informatie te verwerken en dat vereist de nodige concentratie en aandacht. Voor de lezer die daarvoor het nodige geduld weet op te brengen, staat echter veel moois wachten. In relatief weinig pagina’s weet Barry Smit een sterke onderhuidse spanning op te bouwen. Zelfs van de landschappen die hij beschrijft, gaat een donkere dreiging schuil. Zowel Ondijk als Punt kennen veel verstilde momenten die soms direct daarna worden opgevolgd door enorme tempoversnellingen en extreem geweld. Vooral de plastisch uitgeschreven scenes aan het eind van Punt komen behoorlijk aan. Het maakt van de bundel een bijzondere leeservaring, waarin sfeer en verhaal elkaar naadloos aanvullen en heel erg in elkaars dienst staan.

Achter de oppervlakte van de beide verhalen gaan een paar interessante vragen schuil. Kunnen we ons onttrekken aan ons verleden en zelfstandige keuzes maken die ons leven in positieve zin beïnvloeden? Of komen we nooit echt los van ons verleden? In Ondijk wordt Zee door zijn jeugdvriend Mark de maat genomen: “Ik heb alles, Zee. Eigen zaak, groot huis, Fem… Doe niet alsof ik in de modder ben blijven hangen. […] Wat heeft het je opgeleverd, dat reizen? Behalve die foto’s? Volgens mij ben je nog steeds alleen. In het huissie van je ouders.”

Zee is op drift en weet niet zeker wat hij met zijn leven aan moet. Is hij werkelijk beter af door zijn droom achterna te jagen en de hele wereld over te reizen of doet hij er beter aan zich ergens te vestigen? Ook de andere mensen in het dorp zijn op zoek naar hun rol in het leven. Zo is daar Oscar Stoop, die in de criminele voetsporen van zijn vader wil treden en zich tegelijk van diens dominantie wil ontdoen. Er is het medium, dat zich door iedereen onbegrepen weet, maar die zich plots door een ingreep uit het hiernamaals op het juiste pad weet gezet. Het zijn allemaal interessante personages die met zichzelf worstelen en behoefte hebben aan een anker in hun leven. In het bijzonder donkere en beklemmende Punt smelten heden en verleden door middel van korte en veelvuldige flashbacks samen en koerst Smit van meet af aan op een even schokkend als onafwendbaar einde aan. Tezamen met Ondijk is het resultaat een nogal somber stemmende leeservaring, die zowel prikkelt als tot nadenken stemt.DEE7BDCD-DB75-4C82-B19D-14A18D4D7FD9

Het lijk in de boomgaard – Geert van Istendael [Recensie]

Een Brusselse satire luidt de ondertitel bij Het lijk in de boomgaard. Met zo’n titel kan natuurlijk sowieso al amper van iets anders sprake zijn dan een satire. Het verhaal laat zich gemakkelijk genoeg samenvatten. Er wordt op de grens van Brussel en het platteland een lijk in een boomgaard gevonden. Het slachtoffer heeft een doorgesneden keel en het is aan het team van commissaris Kluft om de moordenaar in de kladden te grijpen. Dat is nog niet zo gemakkelijk omdat het slachtoffer een bijzonder onaangenaam mens was en er honderden mensen rondlopen die een motief kunnen hebben gehad om het slachtoffer naar het hiernamaals te sturen. Bovendien is het moordwapen spoorloos en het is zelfs onduidelijk welk type mes er precies is gebruikt.

Het verhaal wordt bevolkt door op zijn zachtst gezegd kleurrijke personages en moeten beter niet al te serieus genomen worden. Commissaris Kluft is een immer chagrijnige vetzak, die constant met een geblokkeerde rug en schouders rondloopt en die zijn medewerkers roeptoeterend en met veel misbaar op allerlei onaangename klussen zet. Zijn inspecteur Demir, een gepassioneerde man van Turks slash Napolitaanse komaf, rijdt hem voortdurend rond in zijn krappe Fiat 500, waarin hij voortdurend tot groot ergernis van Kluft op vol volume allerlei opera’s opzet. Het secretariaat van commissaris Kluft wordt aangevoerd door Aziza Boon, een Syrische vrouw die al bijna even chagrijnig is als de commissaris en die bij het minste of geringste in woedeaanvallen uitbarst. Het is allemaal een beetje over de top, maar dat mag de pret niet drukken. Dat de verschillende personages de karikatuur niet ontstijgen zal de lezer voor lief moeten nemen en anders is het beter om dit boek toch links te laten liggen.

Geert van Istendael (1947) was lange tijd verslaggever en nieuwslezer voordat hij zich in 1993 volledig op het schrijven ging toeleggen. Van Istendael is zowel essayist, columnist, dichter als prozaschrijver. Met Het lijk in de boomgaard leverde hij een roman af dat zich moeilijk in een hokje laat plaatsen. Het lijk laat zich lezen als een whodunnit, maar dan gelardeerd met allerlei grappen en grollen. Het boek moet het niet van een heel bijzonder verhaal hebben. Ook niet van de spanning trouwens. Als je alle grappen en grollen wegdenkt is het een klassiek misdaadverhaal zonder al te veel verrassingen. Er is een moord, er zijn verschillende verdachten met verschillende motieven en het is aan het speurdersduo Kluft/Demir om de dader aan te wijzen.

Het is de humor die het verhaal voortdrijft, want afgezien daarvan is gebeurt er niet zoveel buiten het standaard speurwerk. Verschillende verdachten worden ondervraagd, een zoektocht naar het moordwapen vindt plaats en verschillende alibi’s worden nagetrokken. Kluft heeft een slecht voorgevoel bij deze zaak en denkt dat deze zaak vanwege de vele verdachten en het verdwenen moordwapen nog wel eens onoplosbaar zou kunnen zijn, maar echt invoelbaar wordt dit voor de lezer verder niet gemaakt. De speurders gaan redelijk onverstoorbaar hun gang en volgen de meest voor de hand liggende aanwijzingen. Af en toe gebruiken ze daarbij onconventionele middelen, zoals het inroepen van de vader van Demir en de vader van de man die het slachtoffer in de boomgaard heeft aangetroffen. Dit leidt meteen ook tot het leukste en boeiendste gedeelte van het boek. De beide vaders weten alles maar er maar te weten valt of het gebied van messen die in de tuinhandel en de plantsoenendienst worden gebruikt en gaan uitgebreid met elkaar in conclaaf. De conversatie die daaruit volgt is niets minder dan hilarisch. Een manco aan Het lijk in de boomgaard is dat de dader nogal plotseling uit de hoge hoed wordt getoverd. Er zijn geen aanwijzingen die een kritische en aandachtige lezer had kunnen zien en dat voelt toch een beetje als een tekortkoming. Het lijk in de boomgaard is al met al een leuk en luchtig tussendoortje voor iedereen die van een speurdersverhaal houdt en daarbij een lichte en komische toets weet te appreciëren.9C130123-499B-4D0B-85EE-3125B103A49A

De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten en andere onvoorstelbare gebeurtenissen uit de geschiedenis – Pascal Vanenburg [Recensie]

Geschiedenis heeft bij veel mensen een wat stoffig imago. Dat kun je terecht of onterecht vinden, maar je kunt er misschien ook iets aan doen. Bijvoorbeeld door de geschiedenis van zijn stoffige jasje te ontdoen en het op een interessante en vlotte manier te presenteren. Dat is precies wat Pascal Vanenburg heeft proberen te doen in de eigenzinnig vertelde verhalenbundel De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten, en 50 andere onvoorstelbare gebeurtenissen uit de geschiedenis. In de bundel worden eenenvijftig verhalen uit de wereldgeschiedenis van de Romeinse tijd tot aan de twintigste eeuw die min of meer in de vergetelheid zijn geraakt door Vanenburg opnieuw in de spotlights gezet. De verhalen in de bundel zijn overigens eerder verschenen op de website van Froot.nl, waar Pascal Vanenburg wekelijks een verhaal publiceerde.

“Truth is stranger than fiction, but it is because fiction is obliged to stick to possibilities; Truth isn’t.”

Bovenstaande is een quote van Mark Twain en is uitstekend van toepassing op deze verhalenbundel. De verhalen doen vanwege hun excentriciteit en hun onwaarschijnlijke protagonisten als ongeloofwaardige fictie aan en toch zijn ze allemaal waargebeurd. Hier en daar heeft Pascal Vanenburg waar de historische bronnen lacunes vertonen zelf wel het een en ander ingevuld. De verhalen die allen slechts zo’n vier tot vijf pagina’s beslaan zijn niet alleen onwaarschijnlijk, maar worden ook door Pascal Vanenburg op een heerlijk droogkomische en eigen manier verteld. Het levert een bijzonder lezenswaardige en humoristische bundel op.

Zomaar een willekeurige greep uit de verhalen: In het openingsverhaal Cyrus de Grote en de slag om Thymbra gaat het over de strijd in de zesde eeuw v.Chr. tussen Koning Croesus van Lydie, “een humorloze drol”, en Cyrus, Koning van Medie. Cyrus was geen groot strateeg, maar beschikte over veel financiële middelen. “Lydie gold in die tijd als een van de grootste en machtigste rijken ter wereld en beschikte over een immense goudvoorraad. Dat kwam van pas nu Croesus niet bepaald een briljant strateeg bleek. Ter compensatie besloot Croesus daarom maar compleet Real Madrid te gaan en kocht gewoon een berg peperdure soldaten om die titel te heroveren.”

Jouw website in drie weken live. Kijk wat er mogelijk is en neem contact op http://www.twindigital.nl
Gelukkig heeft Cyrus een stel kamelen tot zijn beschikking. Daar waren de paarden van Croesus dus helemaal niet aan gewend en het leidt al snel tot een totale chaos binnen de cavalerie van Croesus. Een prachtig verhaal, maar het vormt slechts de opmaat voor de vijftig andere verhalen, waarvan de een nog maffer is dan de ander.

Neem bijvoorbeeld De man die zeven keer werd getroffen door de bliksem, waarin wordt geïllustreerd dat de kans om meerdere keren door een bliksem geraakt te worden niet zo klein is als verwacht. Een kat heeft zeven levens, wordt wel eens gezegd. Natuurlijk moet je dit niet al te letterlijk nemen, want ook het geluk van een kat is niet oneindig, maar dat geldt kennelijk niet voor Roy Sullivan, een Amerikaanse parkwachter die maar liefst zeven keer door de bliksem werd getroffen en het er telkens weer levend van af bracht. Het verhaal wordt op een adembenemende en tegelijk zeer humoristische manier door Pascal Vanenburg gedocumenteerd.

Of wat te denken van het verhaal Joshua Norton. De meeste mensen kunnen redelijk wat namen van Amerikaanse presidenten noemen, maar slechts weinigen zullen met droge ogen kunnen beweren dat ze altijd al hebben geweten dat Amerika ooit ook een keizer heeft gekend. En toch was hij er. Joshua Norton. In het gelijknamige verhaal Joshua Norton vertelt Pascal met veel smaak en zelfs een beetje genegenheid over deze merkwaardige outcast.

Vanenburg bewijst met deze bundel dat geschiedenis niet alleen boeiend is maar ook boeiend kan worden verteld. Door zijn mix van straattaal, understatements en humor krijgt geschiedenis opeens een hip en modern jasje. Het stof spat hier van de geschiedenis af. Hulde daarvoor.

Voor het eerst verschenen op De Leesclub van Alles

 

IMG_0444

De nachtwandeling – Robbert Welagen [Recensie]

De bekende en veel gelauwerde schrijver Jacob van Herwijnen heeft nog maar net de Sebriko Literatuurprijs gewonnen als hij tijdens een nachtelijke wandeling langs de Amstel wordt overvallen. De volgende ochtend treft men zijn drijvende lijk aan in de rivier. Aangezien niemand anders op dat moment de tijd heeft, wordt inspecteur Mudde tegen zijn zin op de zaak gezet. Mudde is een zestigplusser die nog een paar jaar tot aan zijn pensioen heeft en alles eigenlijk al wel zo’n beetje in het politievak heeft gezien. Hij woont op een boerderij een eindje buiten Amsterdam met Jochie, een bruine, acht jaar oude retriever als enig gezelschap. Mudde verbaast zich steeds meer over mensen die een tomeloze ambitie hebben om alles uit hun werk te halen. ‘Ambitie legt de nadruk op wat ontbreekt. Een ongezonde denkwijze’, luidt de stellige mening van Mudde. De reden waarom hij zelf nog het werk doet, is simpel. Zijn werk is voor hem een hersentraining. Hij houdt van het raadsel dat aan hem wordt gepresenteerd. En dat raadsel moet met gedegen recherchewerk worden gekraakt. Het verhaal van Nachtwandeling is hem dan ook op het lijf geschreven, want Nachtwandeling is een echte klassieke whodunnit detectiveroman.

Verschillende verdachten passeren de revue. De ex-vrouw van Jacob van Herwijnen, de medegenomineerden voor de Sebriko Literatuurprijs, de vorige uitgever van Jacob die maar moeilijk kan verkroppen dat Jacob is overgestapt naar een nieuwe uitgeverij. Het zijn maar enkele personen die langskomen en een mogelijk motief kunnen hebben gehad om Jacob om het leven te brengen. In de Nachtwandeling gaat het voornamelijk om het checken van alibi’s en het in kaart brengen van motieven. Dat klinkt op zichzelf misschien niet heel spannend, maar Nachtwandeling is een verrassend boeiend boek. Mudde is een sympathiek personage die ondanks zijn gevorderde leeftijd nog altijd veel geeft om zijn vak en de lezer als het ware meeneemt in de breinbrekers die een moordmysterie met zich meebrengt. Nachtwandeling wordt daardoor net een legpuzzel, waarvan de afzonderlijke stukjes telkens net op een ander plekje blijken te moeten liggen. Bijzonder vermakelijk zijn daarnaast de beschouwingen over het literaire wereldje waarvan Jacob van Herwijnen tot voor kort deel uitmaakte.

Robbert Welagen (1981), die met Nachtwandeling zijn eerste thriller aflevert, is zelf bepaald niet onbekend met het hele circus rondom literaire prijzen en heeft vermoedelijk deels kunnen putten uit zijn eigen ervaringen. Hij debuteerde in 2006 op 25-jarige leeftijd met zijn roman Lipari, waarvoor hij de Selexyz Debuutorijs won en op de longlist van de Libris literatuurprijs terechtkwam. Zijn derde roman Verre vrienden werd genomineerd voor de BNG Literatuurprijs en zijn vijfde roman Het verdwijnen van Robbert werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs.

Welagen tekent in Nachtwandeling heel mooi de minder mooie aspecten die aan literaire prijzen zitten. Het is niet alleen maar glitter en glamour, waarin iedereen elkaar de lof toezwaait. Iedereen in de literaire wereld houdt elkaar met argusogen in de gaten en er blijkt veel na-ijver tussen schrijvers en uitgevers te zijn. Elke schrijver wil graag in aanmerking komen voor die ene belangrijke literaire prijs en gunt de ander stiekem niks, uitgevers zullen als de kans zich voordoet niet nalaten om een interessante schrijver van een andere uitgever over te nemen, en zo is er nog wel meer gekonkel en controverse te bedenken. Het is dan ook een hele opgave voor Mudde om zich in deze slangenkuil niet op een dwaalspoor te laten zetten. Door de literaire wereldvreemdheid van Mudde en zijn aversie van alles wat modern is (een smartphone is echt niet aan hem besteed) is Nachtwandeling zowel een geestige als een boeiende misdaadroman geworden.

IMG_0434

 

 

Herinneringen in aluminiumfolie – Jamal Ouariachi [Recensie]

Het is een publiek geheim dat het korte verhaal het ondergeschoven kindje is in de Nederlandse letteren. De verkoopcijfers van het korte verhaal willen maar niet in de buurt komen van de roman. Minder duidelijk is waardoor de verkoopcijfers zo achter blijven. Het is toch een literaire traditie die een rijke geschiedenis kent. Mensen hebben zich van oudsher aangetrokken gevoeld door verhalen. Denk bijvoorbeeld alleen al aan de vertellingen van Duizend-en-een-nacht en de Decamerone van Boccaccio. Hoe dan ook zijn er voldoende initiatieven om het korte verhaal weer wat meer onder de aandacht van het brede publiek te brengen. Er is zelfs een aparte prijs voor in het leven geroepen, de J.M.A. Biesheuvelprijs. De achterliggende boodschap is duidelijk. De lezer moet een beetje worden opgevoed, waardoor het korte verhaal weer de aandacht krijgt die het toekomt.

Jamal Ouariachi die zelden of nooit een blad voor zijn mond neemt en een stevige stelling zeker niet schuwt, weet wel beter. Het ligt niet aan de lezer, maar aan de schrijver. En zijn minachting voor de lezer. Toe maar. Dat zijn stellingen die er lekker in kletsen. De schrijver zou het korte verhaal niet serieus genoeg nemen of om de woorden van Jamal te gebruiken: ‘Het publiceren van een slecht verhaal levert geen enkele reputatieschade op, terwijl het wel geld oplevert.’ De schrijvers van korte verhalen bezondigen zich regelmatig aan veel weglaten en de lezer zelf het werk laten doen, iets wat Jamal regelmatig tot waanzin leidt. ‘Doe gewoon je werk, schrijver, daar ben je voor ingehuurd, daar hebben mensen €18,99 euro voor neergeteld, schrijf godverdomme gewoon die zinnen op.’

Dat klinkt natuurlijk allemaal erg sympathiek, maar wat heeft Jamal eigenlijk zelf voor de lezer in petto? Herinneringen in aluminiumfolie is een collectie verhalen die hij tussen 2011 en 2016 heeft geschreven en die nu voor het eerst zijn samengebundeld. Twee verhalen schijnen nieuw te zijn, maar eigenlijk maakt dat allemaal weinig uit. Herinneringen is een bijzonder boeiende bundel met tien verhalen die qua inhoud en toonzetting variëren van hilarisch tot gruwelijk. Zo krijgt iemand in het titelverhaal waarmee de bundel opent van een student biologie een stukje van iemands hersens, verder is er een verhaal dat alleen al door de titel de aandacht trekt (De Moslim Sportvissers Club), een verhaal over een seriemoordenaar die zijn slachtoffers tot een culinair gerecht bereidt (De toeristenslager) en een verhaal over een date via een bemiddelingsbureau dat adembenemend spectaculair verkeerd afloopt (Come Together). De lezer die van smeuïge verhalen houdt, is hier duidelijk aan het goede adres. Verwacht geen diepgravende psychologie met onwijs veel lagen en impliciete symboliek. What you see is what you get.

Wat meteen opvalt bij het lezen van de verhalen is dat Jamal Ouariachi zelf ook veel weglaat, maar dat dit niet leidt tot het soort uitgebeende proza waar veel lezers liever een extra rondje voor om lopen. Door regelmatig bepaalde informatie aan de lezer te onthouden, blijft de verrassing er constant in en als de clue zich dan ontvouwt blijkt hoe speels en slim sommige verhalen in elkaar zitten. Daarnaast zijn de verschillende vertelperspectieven die door Jamal Ouariachi worden gehanteerd ontzettend inventief gevonden. Zo leest het verhaal Keuze bijna als een wetenschappelijke casus waarbij de op een onbewoond eiland gestrande protagonisten als A. en B. worden aangeduid en waarin een roofvogel die Cornald wordt genoemd ook nog een interessante rol krijgt toebedeeld. In het verhaal Minder niets meer neemt Jamal Ouariachi ons als het ware mee als mede-observant van het hoofdpersonage dat hij ten tonele voert door de wij-vorm te gebruiken. Door deze speelse aanpak verveelt Herinneringen in aluminiumfolie geen moment.

Jamal Ouariachi doet in zijn nawoord bij de bundel een oproep aan de schrijver. Hij vraagt de schrijver dat hij niet in zijn eentje bij een knappend kampvuurtje gaat zitten genieten van zijn eigen stemgeluid terwijl tientallen meters verderop de lezer staat te rillen in de kille duisternis. Alles wat hij van de schrijver vraagt, is dat hij de lezer uitnodigt om bij dat kampvuur te komen zitten. En begint met vertellen. Misschien dat het dan wel weer wat wordt met dat korte verhaal. In elk geval heeft Jamal Ouariachi met Herinneringen in aluminiumfolie zelf daartoe een goede aanzet gegeven. Deze verhalenbundel zal zeker een breed lezerspubliek aanspreken en verdient het om gelezen te worden.

 

IMG_0430

Literaire tijdschriften

Regelmatig koop ik een literair tijdschrift. Gelukkig valt er wat dat betreft in Nederland te kiezen uit een ruim aanbod.

Ik noem er hier slechts een paar:
– De Revisor
– Das Magazin
– De Gids
– Kluger Hans
– Extaze
– Tirade

Het is echt slechts een zeer kleine greep. Deze tijdschriften zijn vaak bijzonder fraai vormgegeven en bevatten onder andere (prachtige) verhalen, essay’s en gedichten. Veel bekende Nederlandstalige auteurs publiceren met enige regelmaat in één van deze bladen. Toch hoor ik weinig mensen en ook lezers zeggen dat ze wel eens een literair tijdschrift hebben gekocht of gelezen.

Ik ben benieuwd waar dat mee te maken heeft.

 

Interview Martin Jansen in de Wal

Martin Jansen in de Wal is een naam die vermoedelijk weinig mensen iets zal zeggen. Noem je echter John Grisham, Tom Clancy, John Sandford en Harlan Coben, dan gaat waarschijnlijk bij meer mensen een belletje rinkelen. In een aantal van hun boeken zul je de naam Martin Jansen in de Wal tegenkomen. Hij is namelijk degene die de boeken van deze beroemde schrijvers in het Nederlands heeft vertaald. Wie zijn deze vertalers die maandenlang op een boek zitten ploeteren, zodat wij Nederlandse lezers van de boeken van al die bekende namen kunnen genieten? Krijgen ze eigenlijk wel genoeg aandacht voor het werk dat ze doen? Als ik met hem afspreek voor een interview, is zijn eerste reactie wat afhoudend. ‘Wat heb ik nou helemaal te vertellen?’ Als ik hem vraag of dit te maken heeft met bescheidenheid, of met zijn denkbeeld over het vak als vertaler, antwoordt hij dat hij in de afgelopen tweeëntwintig jaar heeft gemerkt dat lezers gewoon weinig of geen belangstelling hebben voor vertalers. ‘Dat is verder niet erg, maar vertaler is zeker geen glamour-beroep.’

Praat je wel eens met collega vertalers of met andere mensen over je vak?
Collega-vertalers spreek ik vrijwel nooit. De meeste vertalers zijn eenlingen. Die zoeken elkaar niet op. Ik spreek wel met de bureauredacteurs van de uitgeverijen; zij zijn mijn contactpersonen.

Hoe wordt iemand eigenlijk vertaler en wat is jouw achtergrond?
Ik heb altijd geschreven. Toen ik begin twintig was schreef ik verhalen en zelfs een roman, maar dat werd niks, bleek al snel. Ik heb kilo’s manuscripten opgestuurd naar diverse uitgevers en ben ze – als ik erop terugkijk – dankbaar dat ze het nooit hebben uitgegeven, want ik zou me nu kapot schamen als ze dat wel hadden gedaan.

Was het zo erg?
Ja, echt, maar ik ben daarna altijd wel blijven schrijven, voor kranten en tijdschriften, populairwetenschappelijke artikelen over anatomie en sportvoeding, en reclameteksten, als copywriter, wat eigenlijk mijn opleiding was.

Hoe ziet de gemiddelde werkdag er van een vertaler uit?
Die begint voor mij ’s morgens heel vroeg, vanaf een uur of zes, zeven, of ’s zomers vaak nog vroeger. Ik zet een pot koffie, bekijk het nieuws op internet en ga meteen aan het werk

Stel je jezelf een doel voor de dag? Moet je bijvoorbeeld een bepaald aantal woorden of pagina’s halen?
Ik maak altijd een werkschema. Als ik mijn deadline heb, weet ik hoeveel bladzijden ik per dag moet doen. Dat probeer ik dan minimaal te halen, en als het goed gaat, werk ik soms nog wel even door. Maar meestal hou ik om een uur of twaalf op. De rest van de dag gaat op aan vrije tijdsbesteding.

Is vertalen een eenzaam beroep? Je zei net al dat je weinig contact met collega’s hebt. Dat klopt en daar moet je tegen kunnen, of misschien moet je het zelfs wel leuk vinden.

Heb je tips voor mensen die overwegen om vertaler te worden?
Je moet tevreden zijn met je status als vertaler, die heel eenvoudig en minimaal is. En je moet discipline hebben. Als je er van wilt leven, is vertalen niet iets wat je er zo maar bij doet. Je kunt niet ’s avonds nog even een paar uur wat vertalen. Voor mij is het een fulltime job, minstens 40 uur per week. Je moet produceren.

Hoe komt een vertaler aan zijn werk? Zoeken uitgevers jou op of vraag je zelf om bepaalde boeken of auteurs?
Ik ben begonnen door uitgevers aan te schrijven. Ik kreeg een paar proefopdrachten en daarna mijn eerste hele boeken. Na een stuk of vijf relatief onbekende auteurs mocht ik de eerste David Baldacci vertalen en kort daarna een John Grisham, een half boek, samen met een andere vertaler, want het moest heel snel klaar. En niet lang daarna heb ik een Robert Ludlum vertaald. Die bekende namen hielpen me weer om nieuwe opdrachten te krijgen. Soms kreeg ik per jaar wel tien boeken aangeboden, terwijl ik er maar vier of hooguit vijf kon doen.

Heeft het vertalen van misdaadromans invloed gehad op je manier van lezen?
Ja. Ik heb lange tijd heel veel misdaadromans gelezen, maar nadat ik ze ging vertalen, ging dat niet meer echt onbevangen. Ik ging tijdens het lezen steeds meer op details letten en probeerde zelfs te bedenken hoe de Engelse tekst er achter de vertaalde had uitgezien. Je echt laten meeslepen door het verhaal is er dan niet meer bij.

Je zei dat de rol van vertaler anoniem is en dat je daarmee tevreden moet kunnen zijn, maar tegelijkertijd denk ik dat de vertaler medeverantwoordelijk is voor hoe het boek eruit komt te zien. Een andere vertaler zou misschien een andere keuze van woorden hebben gemaakt, waardoor de toon van het boek anders wordt.
De verteltoon kan per vertaler verschillen. Ik kom soms zinnen tegen waarvan ik denk: zijn die niet iets te letterlijk uit het Engels overgenomen? En dialogen zijn erg belangrijk. Die bepalen mede de kleur en de toon van het boek. Op de inhoud van het boek heeft een vertaler natuurlijk geen invloed. De plot verandert uiteraard niet als een boek door vertaler A of B wordt vertaald, maar de lezer kan een boek door een andere toonzetting wel net iets anders ervaren.

Soms kom ik fouten tegen in de interpunctie. Is dat dan een fout van de vertaler of van de redactie?
Van allebei, denk ik. Als ik klaar ben met de vertaling doe ik mijn eigen controle – op papier, niet van het scherm – en daarna wordt het door nog twee mensen gecontroleerd, maar het komt helaas voor dat er soms kleine foutjes in blijven zitten.

Wat zijn voor jou de fijnste stukken om te vertalen? Dialogen of meer beschrijvende passages?
In beschrijvende passages zit vaak het meeste werk: dingen opzoeken, wikipedia, Google Maps en afbeeldingen, enzovoort. Dialogen vind ik leuk om te doen en ik wil die echt laten klinken zoals mensen ze uitspreken. Met een natuurlijk ritme en in normale spreektaal. En variëren, want als er bijvoorbeeld een misdadiger aan het woord is, spreekt die meestal geen algemeen beschaafd Nederlands, of het Amerikaanse equivalent daarvan. Een arts of politicus praat weer heel anders. Ik vind het leuk om daar aandacht aan te besteden.

Is het moeilijk om specifieke straattaal of bepaalde taalgrappen te vertalen?
Grappen zijn het moeilijkst. Grappen en woordspelingen. Daar gaat veel tijd in zitten en soms moet je zelfs een Nederlandse equivalent bedenken, maar als het lukt, is het weer extra leuk.

Grijpt een vertaler nog wel eens terug naar een woordenboek?
Ja, een paar keer per week. Als ik een woord tegenkom waarover ik twijfel, zoek ik het wel even op. Meestal heb ik dan een paar mogelijkheden waar ik dan uit kan kiezen, al naar gelang de context waarin het staat.

Heb je wel eens schrijvers ontmoet die je hebt vertaald?
Nee. Ik heb wel twee keer de kans gehad, met David Baldacci en Harlan Coben, maar dat is beide keren niet doorgegaan. In het geval van Baldacci weet ik niet precies meer waarom niet, en bij Harlan Coben werd het bezoek ineens naar een andere dag verplaatst, waardoor het fout liep. Ik heb wel e-mailcontact met schrijvers gehad: Jeffery Deaver, Steve Mosby, Robert Crais en de zoon van John Sandford. (Sandford zelf wordt heel zorgvuldig ‘uit de wind gehouden’.)

Zijn er schrijvers die je nog zou willen vertalen?
Nog heel veel. Alle goede schrijvers, uiteraard. Binnenkort hoop ik weer een paar bekende namen aan mijn lijstje te mogen toevoegen.

Zijn er zaken die je zelf graag over je vak wil vertellen?
Ik denk dat je als vertaler zelf het plezier in je werk moet zien te vinden. Die zit voor mij in de taal. Bezig zijn met taal vind ik gewoon heerlijk. Wat ik ook graag kwijt wil, nu ik de kans krijg, is dat vertalers vaak verwijten krijgen over dingen waar ze helemaal niets aan kunnen doen. Mensen zijn bijvoorbeeld ontevreden over de afloop van een boek en de vertaler krijgt dat dan in de schoenen geschoven.

Serieus?
Ja, dat heb ik zelf meegemaakt. Of het verwijt dat een bepaald onderwerp onvoldoende is uitgediept. Maar ja, dat is de verantwoordelijkheid van de schrijver. Ik kan er geen stukken bij gaan verzinnen.

Schrijvers hebben soms last van een writer’s block. Heb je zelf ook wel eens dat je helemaal vast zit in een stuk tekst of een boek?
Ik heb wel eens boeken waar ik moeilijk doorheen kom, maar gelukkig gebeurt dat maar zelden. Hooguit een keer of vijf op een totaal van ruim honderd boeken.

En wat doe je dan? Een paar stevige koppen koffie?
Gewoon stug blijven doorwerken. Als je een opdracht aanneemt, verbind je je voor tweeënhalf tot drie maanden, dat moet je goed in gedachten houden. Dus als je een boek aanneemt en algauw blijkt dat het je niet bevalt, heb je gewoon pech. Dan ga je een paar minder leuke maanden tegemoet.

Je zei dat je soms wel tien boeken per jaar kreeg aangeboden en dat je er maar vier of vijf kunt vertalen. Hoe kies je dan?
Tien per jaar was in de ‘betere’ tijd, voor de vertaalde Engelstalige misdaadroman, bedoel ik. Maar gelukkig word ik nog steeds benaderd voor bekendere auteurs van wie ik al weet hoe ze schrijven. Maar ik vind het ook leuk om een debuut te vertalen.

Maakt het voor een vertaler verschil als hij een schrijver mag vertalen waarvan hij al eerdere boeken heeft vertaald?
Een flink verschil. Ik heb inmiddels twintig boeken van John Sandford vertaald. Dus afgezien van het eigenlijke verhaal weet ik wat ik ongeveer te lezen zal krijgen. Ik ken de stijl, de personages, en ik weet dat Sandford vaak lange, in elkaar overlopende zinnen maakt. Kortom, ik weet wat ik min of meer kan verwachten. Dat werkt prettig.

Is het voor jou belangrijk dat het boek dat je vertaalt je ook als lezer aanspreekt?
Het liefst wel, maar het kan niet altijd. Het liefst zou ik alleen boeken vertalen die ik zelf ook geweldig vind, maar dat heb ik niet altijd in de hand.

Is het zo dat wanneer er een nieuw boek van een bepaalde schrijver verschijnt de uitgever als eerste aan jou denkt?
De uitgever wil graag dat een auteur een vaste vertaler heeft, mits die zijn werk goed doet, uiteraard. Dat betekent dat ze bij schrijvers als Harlan Coben en John Sandford regelmatig bij mij terechtkomen, wat ik heel fijn vind.

Stel nou dat een bepaalde reeks deels door jou en deels door een ander is vertaald. Is dat voor een lezer te merken?
Er zijn verschillen, maar het gaat dan echt over details. Daar zul je als lezer niet altijd erg in hebben. Er zijn veel goede vertalers.

Wat merk je als vertaler van de inkrimping van de boekenmarkt?
Wat betreft opdrachten heb ik daar tot nu toe nog niet zo veel van, gelukkig. Ik beschik niet over cijfers, maar ik heb wel de indruk dat Amerikaanse of Engelstalige misdaadromans de laatste jaren minder populair zijn. We zitten nu in de Nederlandse golf en daarvoor hadden we de Scandinavische golf, die eigenlijk nog steeds voortduurt, maar over een paar jaar kan die situatie natuurlijk weer heel anders zijn.

Zijn er auteurs die nog niet zijn vertaald of die niet meer vertaald worden en waarvoor je graag aandacht wil vragen?
Van sommige auteurs vind ik het werkelijk heel jammer dat ze niet langer worden vertaald. James Lee Burke en Ken Bruen, allebei favorieten van me en allebei auteurs die met gemak vier of vijf sterren scoren in allerlei recensies (noot van interviewer: Martin heeft de complete verzameling van beide auteurs in zijn boekenkasten staan). Ik begrijp niet waarom daar geen nieuwe boeken van in het Nederlands verschijnen. Ik kan in elk geval niet geloven dat niemand die boeken meer zou willen lezen.

Nadat het interview is afgerond mag ik in de uitgebreide platencollectie van Martin snuffelen en als ik iets interessants tegenkom een aantal elpees lenen. Zijn collectie bestaat uit een paar honderd exemplaren en enkele daarvan stemmen me zeer gelukkig. The Beatles (Revolver en Abbey Road), John Hyatt, Eric Clapton (461 Ocean Boulevard), David Bowie (Ziggy Stardust), Isaac Hayes (Hot Buttered Soul) om er maar een paar te noemen. Ik draai ze bijna elke avond.

Dit interview is reeds eerder verschenen op 25 mei 2015 bij De Thriller.

martin jansen in de wal 2 rob minnaar

De juiste man – Max van Olden [Recensie]

In 2015 debuteerde Max van Olden (1973) met Lieve Edelachtbare dat hem meteen De Schaduwprijs 2016, de prijs voor het beste oorspronkelijk Nederlandstalige thrillerdebuut, opleverde. Daarnaast werd hij ook nog eens genomineerd voor de Hebban Thriller Debuutprijs 2016. Net iets meer dan een jaar later is alweer zijn tweede boek De juiste man verschenen.

In De juiste man maken we kennis met Oscar Seefelt, een 63-jarige advocaat, die zijn leven in grote eenzaamheid en verbittering leidt. Ooit was hij een veelbelovend juridisch talent op een gerenommeerd advocatenkantoor en leek een partnerschap slechts een kwestie van tijd. Het noodlot slaat echter toe als zijn zoon Jelte om het leven komt bij een verkeersongeval. Hij wordt als hij op zijn fiets zit aangereden door een auto die na het ongeval doorrijdt. Voor Oscar is het van meet af aan duidelijk wie de dader is, zijn collega Alexander, nota bene een concurrent voor het partnerschap. De politie krijgt het bewijs tegen Alexander echter niet rond en Oscar raakt ook nog eens zijn baan bij het advocatenkantoor kwijt. Twintig jaar later krijgt hij de kans om wraak te nemen op zijn rivaal, maar daarvoor zal hij ver over de grenzen van de wet moeten gaan.

Net als in Lieve Edelachtbare speelt in De juiste man de juridische wereld een grote rol. Een wereld waarin Max van Olden zijn weg goed weet te vinden. Zelf is hij advocaat en heeft hij een eigen praktijk in Amsterdam. Op de website van zijn uitgever Ambo|Anthos LT wordt niet geheel onbescheiden een vergelijking getrokken met John Grisham, de onbetwiste koning van de legal thrillers. Toch is De juiste man geen klassieke legal thriller. Rechtbankscenes hoeft de lezer bijvoorbeeld niet te verwachten. Je zou je zelfs af kunnen vragen of De juiste man überhaupt wel een thriller is. De juiste man is bovenal een interessante en gedachten prikkelende roman waarin belangrijke vragen worden gesteld over recht en onrecht. Hoe ver mag iemand gaan om zijn recht te halen?

De juiste man is geen gemakkelijk boek. Het verliezen van een kind en het halen van je eigen recht zijn natuurlijk sowieso zwaar beladen thema’s. Max van Olden presenteert de lezer ook niet op gemakkelijke antwoorden. Het is aan de lezer om te bepalen hoe ver hij met Oscar mee wil gaan. Oscar is iemand die verteerd wordt door een obsessie om de waarheid aan het licht te brengen en is bereid om daarbij de wet te overtreden. Bovendien vervreemdt hij door zijn obsessie iedereen om zich heen. Daarmee wordt de keuze voor de lezer niet gemakkelijker, maar wordt het verhaal wel des te interessanter.

Max van Olden geeft na een wat traag lopend middenstuk een mooie twist aan het einde van het verhaal waardoor de lezer zich genoodzaakt ziet om zijn eerdere standpunten nog eens te heroverwegen. De juiste man is daardoor een geslaagde roman geworden die het niet zozeer van de spanning moet hebben, maar van de psychologisch gelaagde personages en de interessante vragen die worden opgeworpen omtrent moraliteit en rechtvaardigheid. Met De juiste man heeft Max van Olden zich na Lieve Edelachtbare extra gevestigd als een nieuwe literaire aanwinst in Nederland.

IMG_0427